sluieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sluieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sluieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sluierend
Past participle - Verleden deelwoord: gesluierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksluier
jijsluiert
hijsluiert
wijsluieren
julliesluieren
zijsluieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesluierd
jijhebt gesluierd
hijheeft gesluierd
wijhebben gesluierd
julliehebben gesluierd
zijhebben gesluierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksluierde
jijsluierde
hijsluierde
wijsluierden
julliesluierden
zijsluierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesluierd
jijhad gesluierd
hijhad gesluierd
wijhadden gesluierd
julliehadden gesluierd
zijhadden gesluierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sluieren
jijzult sluieren
hijzal sluieren
wijzullen sluieren
julliezullen sluieren
zijzullen sluieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesluierd hebben
jijzult gesluierd hebben
hijzal gesluierd hebben
wijzullen gesluierd hebben
julliezullen gesluierd hebben
zijzullen gesluierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sluieren
jijzou sluieren
hijzou sluieren
wijzouden sluieren
julliezouden sluieren
zijzouden sluieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesluierd hebben
jijzou gesluierd hebben
hijzou gesluierd hebben
wijzouden gesluierd hebben
julliezouden gesluierd hebben
zijzouden gesluierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsluier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From sluier + -en.

Additional Information