sissen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sissen

The word "sissen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sissen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sissend
Past participle - Verleden deelwoord: gesist

Cognates

See the 2 cognates of sissen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksis
jijsist
hijsist
wijsissen
julliesissen
zijsissen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesist
jijhebt gesist
hijheeft gesist
wijhebben gesist
julliehebben gesist
zijhebben gesist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksiste
jijsiste
hijsiste
wijsisten
julliesisten
zijsisten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesist
jijhad gesist
hijhad gesist
wijhadden gesist
julliehadden gesist
zijhadden gesist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sissen
jijzult sissen
hijzal sissen
wijzullen sissen
julliezullen sissen
zijzullen sissen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesist hebben
jijzult gesist hebben
hijzal gesist hebben
wijzullen gesist hebben
julliezullen gesist hebben
zijzullen gesist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sissen
jijzou sissen
hijzou sissen
wijzouden sissen
julliezouden sissen
zijzouden sissen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesist hebben
jijzou gesist hebben
hijzou gesist hebben
wijzouden gesist hebben
julliezouden gesist hebben
zijzouden gesist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsis

Translations

  • hiss, to make a hissing sound
  • sizzle, to make the sound of water hitting a hot surface
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "sissen"

    English siss.

    Additional Information