seksualiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of seksualiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: seksualiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: seksualiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geseksualiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikseksualiseer
jijseksualiseert
hijseksualiseert
wijseksualiseren
jullieseksualiseren
zijseksualiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geseksualiseerd
jijhebt geseksualiseerd
hijheeft geseksualiseerd
wijhebben geseksualiseerd
julliehebben geseksualiseerd
zijhebben geseksualiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikseksualiseerde
jijseksualiseerde
hijseksualiseerde
wijseksualiseerden
jullieseksualiseerden
zijseksualiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geseksualiseerd
jijhad geseksualiseerd
hijhad geseksualiseerd
wijhadden geseksualiseerd
julliehadden geseksualiseerd
zijhadden geseksualiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal seksualiseren
jijzult seksualiseren
hijzal seksualiseren
wijzullen seksualiseren
julliezullen seksualiseren
zijzullen seksualiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geseksualiseerd hebben
jijzult geseksualiseerd hebben
hijzal geseksualiseerd hebben
wijzullen geseksualiseerd hebben
julliezullen geseksualiseerd hebben
zijzullen geseksualiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou seksualiseren
jijzou seksualiseren
hijzou seksualiseren
wijzouden seksualiseren
julliezouden seksualiseren
zijzouden seksualiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geseksualiseerd hebben
jijzou geseksualiseerd hebben
hijzou geseksualiseerd hebben
wijzouden geseksualiseerd hebben
julliezouden geseksualiseerd hebben
zijzouden geseksualiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijseksualiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information