schimmelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schimmelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schimmelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schimmelend
Past participle - Verleden deelwoord: geschimmeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschimmel
jijschimmelt
hijschimmelt
wijschimmelen
jullieschimmelen
zijschimmelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschimmeld
jijhebt geschimmeld
hijheeft geschimmeld
wijhebben geschimmeld
julliehebben geschimmeld
zijhebben geschimmeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschimmelde
jijschimmelde
hijschimmelde
wijschimmelden
jullieschimmelden
zijschimmelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschimmeld
jijhad geschimmeld
hijhad geschimmeld
wijhadden geschimmeld
julliehadden geschimmeld
zijhadden geschimmeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schimmelen
jijzult schimmelen
hijzal schimmelen
wijzullen schimmelen
julliezullen schimmelen
zijzullen schimmelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschimmeld hebben
jijzult geschimmeld hebben
hijzal geschimmeld hebben
wijzullen geschimmeld hebben
julliezullen geschimmeld hebben
zijzullen geschimmeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schimmelen
jijzou schimmelen
hijzou schimmelen
wijzouden schimmelen
julliezouden schimmelen
zijzouden schimmelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschimmeld hebben
jijzou geschimmeld hebben
hijzou geschimmeld hebben
wijzouden geschimmeld hebben
julliezouden geschimmeld hebben
zijzouden geschimmeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschimmel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beschimmelen
rotten

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch schimmelen. Equivalent to schimmel + -en.

Additional Information