rotten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rotten

The word "rotten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rotten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rottend
Past participle - Verleden deelwoord: gerot

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrot
jijrot
hijrot
wijrotten
jullierotten
zijrotten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerot
jijhebt gerot
hijheeft gerot
wijhebben gerot
julliehebben gerot
zijhebben gerot

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrotte
jijrotte
hijrotte
wijrotten
jullierotten
zijrotten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerot
jijhad gerot
hijhad gerot
wijhadden gerot
julliehadden gerot
zijhadden gerot

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rotten
jijzult rotten
hijzal rotten
wijzullen rotten
julliezullen rotten
zijzullen rotten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerot hebben
jijzult gerot hebben
hijzal gerot hebben
wijzullen gerot hebben
julliezullen gerot hebben
zijzullen gerot hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rotten
jijzou rotten
hijzou rotten
wijzouden rotten
julliezouden rotten
zijzouden rotten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerot hebben
jijzou gerot hebben
hijzou gerot hebben
wijzouden gerot hebben
julliezouden gerot hebben
zijzouden gerot hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrot

Verbs similar to 'rotten'

Translations

  • rot, ''(intransitive)'' to suffer decomposition
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Het fruit begon te rotten omdat het te lang buiten de koelkast werd gelaten. (The fruit began to rot because it was left out of the fridge for too long.)
    • Het hout van de schuur is aan het rotten. (The wood of the barn is decaying.)

    Etymology

    From Middle Dutch rotten, reformed from earlier roten, from Old Dutch *roton, from Proto-West Germanic *rotēn, from Proto-Germanic *rutāną. By surface analysis, rot + -en. See: Old Dutch '*roton', Proto-Germanic '*rutāną'.

    Additional Information