scalperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scalperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scalperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scalperend
Past participle - Verleden deelwoord: gescalpeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscalpeer
jijscalpeert
hijscalpeert
wijscalperen
julliescalperen
zijscalperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gescalpeerd
jijhebt gescalpeerd
hijheeft gescalpeerd
wijhebben gescalpeerd
julliehebben gescalpeerd
zijhebben gescalpeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscalpeerde
jijscalpeerde
hijscalpeerde
wijscalpeerden
julliescalpeerden
zijscalpeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gescalpeerd
jijhad gescalpeerd
hijhad gescalpeerd
wijhadden gescalpeerd
julliehadden gescalpeerd
zijhadden gescalpeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scalperen
jijzult scalperen
hijzal scalperen
wijzullen scalperen
julliezullen scalperen
zijzullen scalperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gescalpeerd hebben
jijzult gescalpeerd hebben
hijzal gescalpeerd hebben
wijzullen gescalpeerd hebben
julliezullen gescalpeerd hebben
zijzullen gescalpeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scalperen
jijzou scalperen
hijzou scalperen
wijzouden scalperen
julliezouden scalperen
zijzouden scalperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gescalpeerd hebben
jijzou gescalpeerd hebben
hijzou gescalpeerd hebben
wijzouden gescalpeerd hebben
julliezouden gescalpeerd hebben
zijzouden gescalpeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscalpeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Likely borrowed from German skalpieren, from English scalp. Equivalent to scalp + -eren. See: German, old spelling 'skalpieren', English 'scalp'.

Additional Information