sarren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sarren

The word "sarren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sarren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sarrend
Past participle - Verleden deelwoord: gesard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksar
jijsart
hijsart
wijsarren
julliesarren
zijsarren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesard
jijhebt gesard
hijheeft gesard
wijhebben gesard
julliehebben gesard
zijhebben gesard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksarde
jijsarde
hijsarde
wijsarden
julliesarden
zijsarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesard
jijhad gesard
hijhad gesard
wijhadden gesard
julliehadden gesard
zijhadden gesard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sarren
jijzult sarren
hijzal sarren
wijzullen sarren
julliezullen sarren
zijzullen sarren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesard hebben
jijzult gesard hebben
hijzal gesard hebben
wijzullen gesard hebben
julliezullen gesard hebben
zijzullen gesard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sarren
jijzou sarren
hijzou sarren
wijzouden sarren
julliezouden sarren
zijzouden sarren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesard hebben
jijzou gesard hebben
hijzou gesard hebben
wijzouden gesard hebben
julliezouden gesard hebben
zijzouden gesard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsar

Verbs similar to 'sarren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch serren.

Additional Information