robotiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of robotiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: robotiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: robotiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gerobotiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrobotiseer
jijrobotiseert
hijrobotiseert
wijrobotiseren
jullierobotiseren
zijrobotiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerobotiseerd
jijhebt gerobotiseerd
hijheeft gerobotiseerd
wijhebben gerobotiseerd
julliehebben gerobotiseerd
zijhebben gerobotiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrobotiseerde
jijrobotiseerde
hijrobotiseerde
wijrobotiseerden
jullierobotiseerden
zijrobotiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerobotiseerd
jijhad gerobotiseerd
hijhad gerobotiseerd
wijhadden gerobotiseerd
julliehadden gerobotiseerd
zijhadden gerobotiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal robotiseren
jijzult robotiseren
hijzal robotiseren
wijzullen robotiseren
julliezullen robotiseren
zijzullen robotiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerobotiseerd hebben
jijzult gerobotiseerd hebben
hijzal gerobotiseerd hebben
wijzullen gerobotiseerd hebben
julliezullen gerobotiseerd hebben
zijzullen gerobotiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou robotiseren
jijzou robotiseren
hijzou robotiseren
wijzouden robotiseren
julliezouden robotiseren
zijzouden robotiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerobotiseerd hebben
jijzou gerobotiseerd hebben
hijzou gerobotiseerd hebben
wijzouden gerobotiseerd hebben
julliezouden gerobotiseerd hebben
zijzouden gerobotiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrobotiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information