rippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rippen

The word "rippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rippend
Past participle - Verleden deelwoord: geript

Cognates

See the 6 cognates of rippen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrip
jijript
hijript
wijrippen
jullierippen
zijrippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geript
jijhebt geript
hijheeft geript
wijhebben geript
julliehebben geript
zijhebben geript

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikripte
jijripte
hijripte
wijripten
jullieripten
zijripten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geript
jijhad geript
hijhad geript
wijhadden geript
julliehadden geript
zijhadden geript

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rippen
jijzult rippen
hijzal rippen
wijzullen rippen
julliezullen rippen
zijzullen rippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geript hebben
jijzult geript hebben
hijzal geript hebben
wijzullen geript hebben
julliezullen geript hebben
zijzullen geript hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rippen
jijzou rippen
hijzou rippen
wijzouden rippen
julliezouden rippen
zijzouden rippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geript hebben
jijzou geript hebben
hijzou geript hebben
wijzouden geript hebben
julliezouden geript hebben
zijzouden geript hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrip

Translations

  • rip, to copy data to a device
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "rippen"

    Danish ribbe, Norwegian ribbe.

    Additional Information