retarderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of retarderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: retarderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: retarderend
Past participle - Verleden deelwoord: geretardeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikretardeer
jijretardeert
hijretardeert
wijretarderen
jullieretarderen
zijretarderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geretardeerd
jijhebt geretardeerd
hijheeft geretardeerd
wijhebben geretardeerd
julliehebben geretardeerd
zijhebben geretardeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikretardeerde
jijretardeerde
hijretardeerde
wijretardeerden
jullieretardeerden
zijretardeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geretardeerd
jijhad geretardeerd
hijhad geretardeerd
wijhadden geretardeerd
julliehadden geretardeerd
zijhadden geretardeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal retarderen
jijzult retarderen
hijzal retarderen
wijzullen retarderen
julliezullen retarderen
zijzullen retarderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geretardeerd hebben
jijzult geretardeerd hebben
hijzal geretardeerd hebben
wijzullen geretardeerd hebben
julliezullen geretardeerd hebben
zijzullen geretardeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou retarderen
jijzou retarderen
hijzou retarderen
wijzouden retarderen
julliezouden retarderen
zijzouden retarderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geretardeerd hebben
jijzou geretardeerd hebben
hijzou geretardeerd hebben
wijzouden geretardeerd hebben
julliezouden geretardeerd hebben
zijzouden geretardeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijretardeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French retarder. See: French 'retarder'.

Additional Information