ratelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ratelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ratelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ratelend
Past participle - Verleden deelwoord: gerateld

Cognates

See the 2 cognates of ratelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikratel
jijratelt
hijratelt
wijratelen
jullieratelen
zijratelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerateld
jijhebt gerateld
hijheeft gerateld
wijhebben gerateld
julliehebben gerateld
zijhebben gerateld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikratelde
jijratelde
hijratelde
wijratelden
jullieratelden
zijratelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerateld
jijhad gerateld
hijhad gerateld
wijhadden gerateld
julliehadden gerateld
zijhadden gerateld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ratelen
jijzult ratelen
hijzal ratelen
wijzullen ratelen
julliezullen ratelen
zijzullen ratelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerateld hebben
jijzult gerateld hebben
hijzal gerateld hebben
wijzullen gerateld hebben
julliezullen gerateld hebben
zijzullen gerateld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ratelen
jijzou ratelen
hijzou ratelen
wijzouden ratelen
julliezouden ratelen
zijzouden ratelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerateld hebben
jijzou gerateld hebben
hijzou gerateld hebben
wijzouden gerateld hebben
julliezouden gerateld hebben
zijzouden gerateld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijratel

Translations

  • chatter, make a chattering noise
  • prattle, to talk incessantly; to babble
  • rattle, to create a sound by shaking
  • rattle, to make a rattling noise
  • rattle, drive or ride briskly, so as to make a clattering
  • rattle, make a clatter with a voice; to talk rapidly and idly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    klepperen
    rammelen
    kwebbelen
    snateren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch ratelen, ultimately of imitative origin. Compare German rasseln, English rattle. Possibly from a Proto-Germanic *hratōną (with frequentative suffix -elen). See: German, old spelling 'rasseln', English 'rattle', Proto-Germanic '*hratōną'.

    Additional Information