puzzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of puzzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: puzzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: puzzelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepuzzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpuzzel
jijpuzzelt
hijpuzzelt
wijpuzzelen
julliepuzzelen
zijpuzzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepuzzeld
jijhebt gepuzzeld
hijheeft gepuzzeld
wijhebben gepuzzeld
julliehebben gepuzzeld
zijhebben gepuzzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpuzzelde
jijpuzzelde
hijpuzzelde
wijpuzzelden
julliepuzzelden
zijpuzzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepuzzeld
jijhad gepuzzeld
hijhad gepuzzeld
wijhadden gepuzzeld
julliehadden gepuzzeld
zijhadden gepuzzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal puzzelen
jijzult puzzelen
hijzal puzzelen
wijzullen puzzelen
julliezullen puzzelen
zijzullen puzzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepuzzeld hebben
jijzult gepuzzeld hebben
hijzal gepuzzeld hebben
wijzullen gepuzzeld hebben
julliezullen gepuzzeld hebben
zijzullen gepuzzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou puzzelen
jijzou puzzelen
hijzou puzzelen
wijzouden puzzelen
julliezouden puzzelen
zijzouden puzzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepuzzeld hebben
jijzou gepuzzeld hebben
hijzou gepuzzeld hebben
wijzouden gepuzzeld hebben
julliezouden gepuzzeld hebben
zijzouden gepuzzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpuzzel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From puzzel + -en.

Additional Information