peuzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peuzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peuzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peuzelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeuzeld

Cognates

See the 6 cognates of peuzelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeuzel
jijpeuzelt
hijpeuzelt
wijpeuzelen
julliepeuzelen
zijpeuzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeuzeld
jijhebt gepeuzeld
hijheeft gepeuzeld
wijhebben gepeuzeld
julliehebben gepeuzeld
zijhebben gepeuzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeuzelde
jijpeuzelde
hijpeuzelde
wijpeuzelden
julliepeuzelden
zijpeuzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeuzeld
jijhad gepeuzeld
hijhad gepeuzeld
wijhadden gepeuzeld
julliehadden gepeuzeld
zijhadden gepeuzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peuzelen
jijzult peuzelen
hijzal peuzelen
wijzullen peuzelen
julliezullen peuzelen
zijzullen peuzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeuzeld hebben
jijzult gepeuzeld hebben
hijzal gepeuzeld hebben
wijzullen gepeuzeld hebben
julliezullen gepeuzeld hebben
zijzullen gepeuzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peuzelen
jijzou peuzelen
hijzou peuzelen
wijzouden peuzelen
julliezouden peuzelen
zijzouden peuzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeuzeld hebben
jijzou gepeuzeld hebben
hijzou gepeuzeld hebben
wijzouden gepeuzeld hebben
julliezouden gepeuzeld hebben
zijzouden gepeuzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeuzel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch pueselen (“to touch; to pick; to eat with picking; to eat with small pieces”). Cognate with German Low German pöseln (“to work hard, toil”), Saterland Frisian puzelje (“to work hard and continuously”). Compare also German Low German pusseln (“to trifle, tinker”), German bosseln (“to potter, tinker”), Old English puslian (“to pick out the best bits, select, cull”). More at English puzzle. See: Frisian, Saterlandic 'puzelje', German, old spelling 'bosseln', English 'puzzle'.

Verbs referencing "peuzelen"

English puzzle.

Additional Information