propageren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of propageren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: propageren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: propagerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepropageerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpropageer
jijpropageert
hijpropageert
wijpropageren
julliepropageren
zijpropageren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepropageerd
jijhebt gepropageerd
hijheeft gepropageerd
wijhebben gepropageerd
julliehebben gepropageerd
zijhebben gepropageerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpropageerde
jijpropageerde
hijpropageerde
wijpropageerden
julliepropageerden
zijpropageerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepropageerd
jijhad gepropageerd
hijhad gepropageerd
wijhadden gepropageerd
julliehadden gepropageerd
zijhadden gepropageerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal propageren
jijzult propageren
hijzal propageren
wijzullen propageren
julliezullen propageren
zijzullen propageren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepropageerd hebben
jijzult gepropageerd hebben
hijzal gepropageerd hebben
wijzullen gepropageerd hebben
julliezullen gepropageerd hebben
zijzullen gepropageerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou propageren
jijzou propageren
hijzou propageren
wijzouden propageren
julliezouden propageren
zijzouden propageren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepropageerd hebben
jijzou gepropageerd hebben
hijzou gepropageerd hebben
wijzouden gepropageerd hebben
julliezouden gepropageerd hebben
zijzouden gepropageerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpropageer

Translations

  • propagate, to spread from person to person
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information