plaasteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plaasteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plaasteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plaasterend
Past participle - Verleden deelwoord: geplaasterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplaaster
jijplaastert
hijplaastert
wijplaasteren
jullieplaasteren
zijplaasteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplaasterd
jijhebt geplaasterd
hijheeft geplaasterd
wijhebben geplaasterd
julliehebben geplaasterd
zijhebben geplaasterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplaasterde
jijplaasterde
hijplaasterde
wijplaasterden
jullieplaasterden
zijplaasterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplaasterd
jijhad geplaasterd
hijhad geplaasterd
wijhadden geplaasterd
julliehadden geplaasterd
zijhadden geplaasterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plaasteren
jijzult plaasteren
hijzal plaasteren
wijzullen plaasteren
julliezullen plaasteren
zijzullen plaasteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplaasterd hebben
jijzult geplaasterd hebben
hijzal geplaasterd hebben
wijzullen geplaasterd hebben
julliezullen geplaasterd hebben
zijzullen geplaasterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plaasteren
jijzou plaasteren
hijzou plaasteren
wijzouden plaasteren
julliezouden plaasteren
zijzouden plaasteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplaasterd hebben
jijzou geplaasterd hebben
hijzou geplaasterd hebben
wijzouden geplaasterd hebben
julliezouden geplaasterd hebben
zijzouden geplaasterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplaaster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information