pauzeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pauzeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pauzeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pauzerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepauzeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpauzeer
jijpauzeert
hijpauzeert
wijpauzeren
julliepauzeren
zijpauzeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepauzeerd
jijhebt gepauzeerd
hijheeft gepauzeerd
wijhebben gepauzeerd
julliehebben gepauzeerd
zijhebben gepauzeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpauzeerde
jijpauzeerde
hijpauzeerde
wijpauzeerden
julliepauzeerden
zijpauzeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepauzeerd
jijhad gepauzeerd
hijhad gepauzeerd
wijhadden gepauzeerd
julliehadden gepauzeerd
zijhadden gepauzeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pauzeren
jijzult pauzeren
hijzal pauzeren
wijzullen pauzeren
julliezullen pauzeren
zijzullen pauzeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepauzeerd hebben
jijzult gepauzeerd hebben
hijzal gepauzeerd hebben
wijzullen gepauzeerd hebben
julliezullen gepauzeerd hebben
zijzullen gepauzeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pauzeren
jijzou pauzeren
hijzou pauzeren
wijzouden pauzeren
julliezouden pauzeren
zijzouden pauzeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepauzeerd hebben
jijzou gepauzeerd hebben
hijzou gepauzeerd hebben
wijzouden gepauzeerd hebben
julliezouden gepauzeerd hebben
zijzouden gepauzeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpauzeer

Translations

  • break, to interrupt or cease one's work or occupation temporarily
  • pause, to interrupt something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From pauze.

    Additional Information