omvallen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omvallen

The word "omvallen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omvallen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omvallend
Past participle - Verleden deelwoord: omgevald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikval om
jijvalt om
hijvalt om
wijvallen om
jullievallen om
zijvallen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgevald
jijhebt omgevald
hijheeft omgevald
wijhebben omgevald
julliehebben omgevald
zijhebben omgevald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvalde om
jijvalde om
hijvalde om
wijvalden om
jullievalden om
zijvalden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgevald
jijhad omgevald
hijhad omgevald
wijhadden omgevald
julliehadden omgevald
zijhadden omgevald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omvallen
jijzult omvallen
hijzal omvallen
wijzullen omvallen
julliezullen omvallen
zijzullen omvallen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgevald hebben
jijzult omgevald hebben
hijzal omgevald hebben
wijzullen omgevald hebben
julliezullen omgevald hebben
zijzullen omgevald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omvallen
jijzou omvallen
hijzou omvallen
wijzouden omvallen
julliezouden omvallen
zijzouden omvallen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgevald hebben
jijzou omgevald hebben
hijzou omgevald hebben
wijzouden omgevald hebben
julliezouden omgevald hebben
zijzouden omgevald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijval om

Verbs similar to 'omvallen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From om + vallen.

Additional Information