neurotiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neurotiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neurotiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neurotiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geneurotiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikneurotiseer
jijneurotiseert
hijneurotiseert
wijneurotiseren
jullieneurotiseren
zijneurotiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geneurotiseerd
jijhebt geneurotiseerd
hijheeft geneurotiseerd
wijhebben geneurotiseerd
julliehebben geneurotiseerd
zijhebben geneurotiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikneurotiseerde
jijneurotiseerde
hijneurotiseerde
wijneurotiseerden
jullieneurotiseerden
zijneurotiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geneurotiseerd
jijhad geneurotiseerd
hijhad geneurotiseerd
wijhadden geneurotiseerd
julliehadden geneurotiseerd
zijhadden geneurotiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neurotiseren
jijzult neurotiseren
hijzal neurotiseren
wijzullen neurotiseren
julliezullen neurotiseren
zijzullen neurotiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geneurotiseerd hebben
jijzult geneurotiseerd hebben
hijzal geneurotiseerd hebben
wijzullen geneurotiseerd hebben
julliezullen geneurotiseerd hebben
zijzullen geneurotiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neurotiseren
jijzou neurotiseren
hijzou neurotiseren
wijzouden neurotiseren
julliezouden neurotiseren
zijzouden neurotiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geneurotiseerd hebben
jijzou geneurotiseerd hebben
hijzou geneurotiseerd hebben
wijzouden geneurotiseerd hebben
julliezouden geneurotiseerd hebben
zijzouden geneurotiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijneurotiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information