neersijpelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neersijpelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neersijpelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neersijpelend
Past participle - Verleden deelwoord: neergesijpeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksijpel neer
jijsijpelt neer
hijsijpelt neer
wijsijpelen neer
julliesijpelen neer
zijsijpelen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergesijpeld
jijhebt neergesijpeld
hijheeft neergesijpeld
wijhebben neergesijpeld
julliehebben neergesijpeld
zijhebben neergesijpeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksijpelde neer
jijsijpelde neer
hijsijpelde neer
wijsijpelden neer
julliesijpelden neer
zijsijpelden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergesijpeld
jijhad neergesijpeld
hijhad neergesijpeld
wijhadden neergesijpeld
julliehadden neergesijpeld
zijhadden neergesijpeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neersijpelen
jijzult neersijpelen
hijzal neersijpelen
wijzullen neersijpelen
julliezullen neersijpelen
zijzullen neersijpelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergesijpeld hebben
jijzult neergesijpeld hebben
hijzal neergesijpeld hebben
wijzullen neergesijpeld hebben
julliezullen neergesijpeld hebben
zijzullen neergesijpeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neersijpelen
jijzou neersijpelen
hijzou neersijpelen
wijzouden neersijpelen
julliezouden neersijpelen
zijzouden neersijpelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergesijpeld hebben
jijzou neergesijpeld hebben
hijzou neergesijpeld hebben
wijzouden neergesijpeld hebben
julliezouden neergesijpeld hebben
zijzouden neergesijpeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsijpel neer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information