natrekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of natrekken

The word "natrekken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: natrekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: natrekkend
Past participle - Verleden deelwoord: nagetrekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrek na
jijtrekt na
hijtrekt na
wijtrekken na
jullietrekken na
zijtrekken na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagetrekt
jijhebt nagetrekt
hijheeft nagetrekt
wijhebben nagetrekt
julliehebben nagetrekt
zijhebben nagetrekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrekte na
jijtrekte na
hijtrekte na
wijtrekten na
jullietrekten na
zijtrekten na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagetrekt
jijhad nagetrekt
hijhad nagetrekt
wijhadden nagetrekt
julliehadden nagetrekt
zijhadden nagetrekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal natrekken
jijzult natrekken
hijzal natrekken
wijzullen natrekken
julliezullen natrekken
zijzullen natrekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagetrekt hebben
jijzult nagetrekt hebben
hijzal nagetrekt hebben
wijzullen nagetrekt hebben
julliezullen nagetrekt hebben
zijzullen nagetrekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou natrekken
jijzou natrekken
hijzou natrekken
wijzouden natrekken
julliezouden natrekken
zijzouden natrekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagetrekt hebben
jijzou nagetrekt hebben
hijzou nagetrekt hebben
wijzouden nagetrekt hebben
julliezouden nagetrekt hebben
zijzouden nagetrekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrek na

Verbs similar to 'natrekken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of na + trekken.

Additional Information