merceriseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of merceriseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: merceriseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: merceriserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemerceriseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmerceriseer
jijmerceriseert
hijmerceriseert
wijmerceriseren
julliemerceriseren
zijmerceriseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemerceriseerd
jijhebt gemerceriseerd
hijheeft gemerceriseerd
wijhebben gemerceriseerd
julliehebben gemerceriseerd
zijhebben gemerceriseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmerceriseerde
jijmerceriseerde
hijmerceriseerde
wijmerceriseerden
julliemerceriseerden
zijmerceriseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemerceriseerd
jijhad gemerceriseerd
hijhad gemerceriseerd
wijhadden gemerceriseerd
julliehadden gemerceriseerd
zijhadden gemerceriseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal merceriseren
jijzult merceriseren
hijzal merceriseren
wijzullen merceriseren
julliezullen merceriseren
zijzullen merceriseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemerceriseerd hebben
jijzult gemerceriseerd hebben
hijzal gemerceriseerd hebben
wijzullen gemerceriseerd hebben
julliezullen gemerceriseerd hebben
zijzullen gemerceriseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou merceriseren
jijzou merceriseren
hijzou merceriseren
wijzouden merceriseren
julliezouden merceriseren
zijzouden merceriseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemerceriseerd hebben
jijzou gemerceriseerd hebben
hijzou gemerceriseerd hebben
wijzouden gemerceriseerd hebben
julliezouden gemerceriseerd hebben
zijzouden gemerceriseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmerceriseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information