mennen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mennen

The word "mennen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mennen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mennend
Past participle - Verleden deelwoord: gemend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmen
jijment
hijment
wijmennen
julliemennen
zijmennen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemend
jijhebt gemend
hijheeft gemend
wijhebben gemend
julliehebben gemend
zijhebben gemend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmende
jijmende
hijmende
wijmenden
julliemenden
zijmenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemend
jijhad gemend
hijhad gemend
wijhadden gemend
julliehadden gemend
zijhadden gemend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mennen
jijzult mennen
hijzal mennen
wijzullen mennen
julliezullen mennen
zijzullen mennen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemend hebben
jijzult gemend hebben
hijzal gemend hebben
wijzullen gemend hebben
julliezullen gemend hebben
zijzullen gemend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mennen
jijzou mennen
hijzou mennen
wijzouden mennen
julliezouden mennen
zijzouden mennen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemend hebben
jijzou gemend hebben
hijzou gemend hebben
wijzouden gemend hebben
julliezouden gemend hebben
zijzouden gemend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmen

Verbs similar to 'mennen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch mennen, from Old Dutch *mennen, borrowed via Vulgar Latin from Latin mināre, collateral form of minārī. See: Latin 'mino'.

Additional Information