meetrekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meetrekken

The word "meetrekken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meetrekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meetrekkend
Past participle - Verleden deelwoord: meegetrekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrek mee
jijtrekt mee
hijtrekt mee
wijtrekken mee
jullietrekken mee
zijtrekken mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegetrekt
jijhebt meegetrekt
hijheeft meegetrekt
wijhebben meegetrekt
julliehebben meegetrekt
zijhebben meegetrekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrekte mee
jijtrekte mee
hijtrekte mee
wijtrekten mee
jullietrekten mee
zijtrekten mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegetrekt
jijhad meegetrekt
hijhad meegetrekt
wijhadden meegetrekt
julliehadden meegetrekt
zijhadden meegetrekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meetrekken
jijzult meetrekken
hijzal meetrekken
wijzullen meetrekken
julliezullen meetrekken
zijzullen meetrekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegetrekt hebben
jijzult meegetrekt hebben
hijzal meegetrekt hebben
wijzullen meegetrekt hebben
julliezullen meegetrekt hebben
zijzullen meegetrekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meetrekken
jijzou meetrekken
hijzou meetrekken
wijzouden meetrekken
julliezouden meetrekken
zijzouden meetrekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegetrekt hebben
jijzou meegetrekt hebben
hijzou meegetrekt hebben
wijzouden meegetrekt hebben
julliezouden meegetrekt hebben
zijzouden meegetrekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrek mee

Verbs similar to 'meetrekken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information