wakkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wakkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wakkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wakkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gewakkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwakker
jijwakkert
hijwakkert
wijwakkeren
julliewakkeren
zijwakkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewakkerd
jijhebt gewakkerd
hijheeft gewakkerd
wijhebben gewakkerd
julliehebben gewakkerd
zijhebben gewakkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwakkerde
jijwakkerde
hijwakkerde
wijwakkerden
julliewakkerden
zijwakkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewakkerd
jijhad gewakkerd
hijhad gewakkerd
wijhadden gewakkerd
julliehadden gewakkerd
zijhadden gewakkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wakkeren
jijzult wakkeren
hijzal wakkeren
wijzullen wakkeren
julliezullen wakkeren
zijzullen wakkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewakkerd hebben
jijzult gewakkerd hebben
hijzal gewakkerd hebben
wijzullen gewakkerd hebben
julliezullen gewakkerd hebben
zijzullen gewakkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wakkeren
jijzou wakkeren
hijzou wakkeren
wijzouden wakkeren
julliezouden wakkeren
zijzouden wakkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewakkerd hebben
jijzou gewakkerd hebben
hijzou gewakkerd hebben
wijzouden gewakkerd hebben
julliezouden gewakkerd hebben
zijzouden gewakkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwakker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle storm. (Robinson Crusoe)

Etymology

Additional Information