kapitalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapitalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapitalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapitalend
Past participle - Verleden deelwoord: gekapitaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkapitaal
jijkapitaalt
hijkapitaalt
wijkapitalen
julliekapitalen
zijkapitalen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekapitaald
jijhebt gekapitaald
hijheeft gekapitaald
wijhebben gekapitaald
julliehebben gekapitaald
zijhebben gekapitaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkapitaalde
jijkapitaalde
hijkapitaalde
wijkapitaalden
julliekapitaalden
zijkapitaalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekapitaald
jijhad gekapitaald
hijhad gekapitaald
wijhadden gekapitaald
julliehadden gekapitaald
zijhadden gekapitaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapitalen
jijzult kapitalen
hijzal kapitalen
wijzullen kapitalen
julliezullen kapitalen
zijzullen kapitalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekapitaald hebben
jijzult gekapitaald hebben
hijzal gekapitaald hebben
wijzullen gekapitaald hebben
julliezullen gekapitaald hebben
zijzullen gekapitaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapitalen
jijzou kapitalen
hijzou kapitalen
wijzouden kapitalen
julliezouden kapitalen
zijzouden kapitalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekapitaald hebben
jijzou gekapitaald hebben
hijzou gekapitaald hebben
wijzouden gekapitaald hebben
julliezouden gekapitaald hebben
zijzouden gekapitaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkapitaal

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information