kaarten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kaarten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kaarten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kaartend
Past participle - Verleden deelwoord: gekaart

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkaart
jijkaart
hijkaart
wijkaarten
julliekaarten
zijkaarten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekaart
jijhebt gekaart
hijheeft gekaart
wijhebben gekaart
julliehebben gekaart
zijhebben gekaart

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkaartte
jijkaartte
hijkaartte
wijkaartten
julliekaartten
zijkaartten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekaart
jijhad gekaart
hijhad gekaart
wijhadden gekaart
julliehadden gekaart
zijhadden gekaart

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kaarten
jijzult kaarten
hijzal kaarten
wijzullen kaarten
julliezullen kaarten
zijzullen kaarten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekaart hebben
jijzult gekaart hebben
hijzal gekaart hebben
wijzullen gekaart hebben
julliezullen gekaart hebben
zijzullen gekaart hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kaarten
jijzou kaarten
hijzou kaarten
wijzouden kaarten
julliezouden kaarten
zijzouden kaarten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekaart hebben
jijzou gekaart hebben
hijzou gekaart hebben
wijzouden gekaart hebben
julliezouden gekaart hebben
zijzouden gekaart hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkaart

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kaart + -en.

Additional Information