joggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of joggen

The word "joggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: joggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: joggend
Past participle - Verleden deelwoord: gejogd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjog
jijjogt
hijjogt
wijjoggen
julliejoggen
zijjoggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejogd
jijhebt gejogd
hijheeft gejogd
wijhebben gejogd
julliehebben gejogd
zijhebben gejogd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjogde
jijjogde
hijjogde
wijjogden
julliejogden
zijjogden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejogd
jijhad gejogd
hijhad gejogd
wijhadden gejogd
julliehadden gejogd
zijhadden gejogd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal joggen
jijzult joggen
hijzal joggen
wijzullen joggen
julliezullen joggen
zijzullen joggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejogd hebben
jijzult gejogd hebben
hijzal gejogd hebben
wijzullen gejogd hebben
julliezullen gejogd hebben
zijzullen gejogd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou joggen
jijzou joggen
hijzou joggen
wijzouden joggen
julliezouden joggen
zijzouden joggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejogd hebben
jijzou gejogd hebben
hijzou gejogd hebben
wijzouden gejogd hebben
julliezouden gejogd hebben
zijzouden gejogd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjog

Verbs similar to 'joggen'

Translations

  • jog, to move in an energetic trot
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English jog. See: English 'jog'.

    Additional Information