jassen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jassen

The word "jassen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jassen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jassend
Past participle - Verleden deelwoord: gejast

Cognates

See the 2 cognates of jassen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjas
jijjast
hijjast
wijjassen
julliejassen
zijjassen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejast
jijhebt gejast
hijheeft gejast
wijhebben gejast
julliehebben gejast
zijhebben gejast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjaste
jijjaste
hijjaste
wijjasten
julliejasten
zijjasten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejast
jijhad gejast
hijhad gejast
wijhadden gejast
julliehadden gejast
zijhadden gejast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jassen
jijzult jassen
hijzal jassen
wijzullen jassen
julliezullen jassen
zijzullen jassen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejast hebben
jijzult gejast hebben
hijzal gejast hebben
wijzullen gejast hebben
julliezullen gejast hebben
zijzullen gejast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jassen
jijzou jassen
hijzou jassen
wijzouden jassen
julliezouden jassen
zijzouden jassen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejast hebben
jijzou gejast hebben
hijzou gejast hebben
wijzouden gejast hebben
julliezouden gejast hebben
zijzouden gejast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjas

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "jassen"

Alemannic German jangse.

Additional Information