ingraveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ingraveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ingraveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ingraverend
Past participle - Verleden deelwoord: ingegraveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgraveer in
jijgraveert in
hijgraveert in
wijgraveren in
julliegraveren in
zijgraveren in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingegraveerd
jijhebt ingegraveerd
hijheeft ingegraveerd
wijhebben ingegraveerd
julliehebben ingegraveerd
zijhebben ingegraveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgraveerde in
jijgraveerde in
hijgraveerde in
wijgraveerden in
julliegraveerden in
zijgraveerden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingegraveerd
jijhad ingegraveerd
hijhad ingegraveerd
wijhadden ingegraveerd
julliehadden ingegraveerd
zijhadden ingegraveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ingraveren
jijzult ingraveren
hijzal ingraveren
wijzullen ingraveren
julliezullen ingraveren
zijzullen ingraveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingegraveerd hebben
jijzult ingegraveerd hebben
hijzal ingegraveerd hebben
wijzullen ingegraveerd hebben
julliezullen ingegraveerd hebben
zijzullen ingegraveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ingraveren
jijzou ingraveren
hijzou ingraveren
wijzouden ingraveren
julliezouden ingraveren
zijzouden ingraveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingegraveerd hebben
jijzou ingegraveerd hebben
hijzou ingegraveerd hebben
wijzouden ingegraveerd hebben
julliezouden ingegraveerd hebben
zijzouden ingegraveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgraveer in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information