inaugureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inaugureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inaugureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inaugurerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnaugureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinaugureer
jijinaugureert
hijinaugureert
wijinaugureren
jullieinaugureren
zijinaugureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnaugureerd
jijhebt geïnaugureerd
hijheeft geïnaugureerd
wijhebben geïnaugureerd
julliehebben geïnaugureerd
zijhebben geïnaugureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinaugureerde
jijinaugureerde
hijinaugureerde
wijinaugureerden
jullieinaugureerden
zijinaugureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnaugureerd
jijhad geïnaugureerd
hijhad geïnaugureerd
wijhadden geïnaugureerd
julliehadden geïnaugureerd
zijhadden geïnaugureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inaugureren
jijzult inaugureren
hijzal inaugureren
wijzullen inaugureren
julliezullen inaugureren
zijzullen inaugureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnaugureerd hebben
jijzult geïnaugureerd hebben
hijzal geïnaugureerd hebben
wijzullen geïnaugureerd hebben
julliezullen geïnaugureerd hebben
zijzullen geïnaugureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inaugureren
jijzou inaugureren
hijzou inaugureren
wijzouden inaugureren
julliezouden inaugureren
zijzouden inaugureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnaugureerd hebben
jijzou geïnaugureerd hebben
hijzou geïnaugureerd hebben
wijzouden geïnaugureerd hebben
julliezouden geïnaugureerd hebben
zijzouden geïnaugureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinaugureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information