hoogachten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hoogachten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hoogachten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hoogachtend
Past participle - Verleden deelwoord: hooggeacht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikacht hoog
jijacht hoog
hijacht hoog
wijachten hoog
jullieachten hoog
zijachten hoog

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb hooggeacht
jijhebt hooggeacht
hijheeft hooggeacht
wijhebben hooggeacht
julliehebben hooggeacht
zijhebben hooggeacht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikachtte hoog
jijachtte hoog
hijachtte hoog
wijachtten hoog
jullieachtten hoog
zijachtten hoog

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad hooggeacht
jijhad hooggeacht
hijhad hooggeacht
wijhadden hooggeacht
julliehadden hooggeacht
zijhadden hooggeacht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hoogachten
jijzult hoogachten
hijzal hoogachten
wijzullen hoogachten
julliezullen hoogachten
zijzullen hoogachten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal hooggeacht hebben
jijzult hooggeacht hebben
hijzal hooggeacht hebben
wijzullen hooggeacht hebben
julliezullen hooggeacht hebben
zijzullen hooggeacht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hoogachten
jijzou hoogachten
hijzou hoogachten
wijzouden hoogachten
julliezouden hoogachten
zijzouden hoogachten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou hooggeacht hebben
jijzou hooggeacht hebben
hijzou hooggeacht hebben
wijzouden hooggeacht hebben
julliezouden hooggeacht hebben
zijzouden hooggeacht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijacht hoog

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

hoogschatten
achten, appreciëren, waarderen

Antonyms

hoogschatten
geringschatten

Sample Sentences

Etymology

Additional Information