graviteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of graviteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: graviteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: graviterend
Past participle - Verleden deelwoord: gegraviteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgraviteer
jijgraviteert
hijgraviteert
wijgraviteren
julliegraviteren
zijgraviteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegraviteerd
jijhebt gegraviteerd
hijheeft gegraviteerd
wijhebben gegraviteerd
julliehebben gegraviteerd
zijhebben gegraviteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgraviteerde
jijgraviteerde
hijgraviteerde
wijgraviteerden
julliegraviteerden
zijgraviteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegraviteerd
jijhad gegraviteerd
hijhad gegraviteerd
wijhadden gegraviteerd
julliehadden gegraviteerd
zijhadden gegraviteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal graviteren
jijzult graviteren
hijzal graviteren
wijzullen graviteren
julliezullen graviteren
zijzullen graviteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegraviteerd hebben
jijzult gegraviteerd hebben
hijzal gegraviteerd hebben
wijzullen gegraviteerd hebben
julliezullen gegraviteerd hebben
zijzullen gegraviteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou graviteren
jijzou graviteren
hijzou graviteren
wijzouden graviteren
julliezouden graviteren
zijzouden graviteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegraviteerd hebben
jijzou gegraviteerd hebben
hijzou gegraviteerd hebben
wijzouden gegraviteerd hebben
julliezouden gegraviteerd hebben
zijzouden gegraviteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgraviteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information