frotteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of frotteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: frotteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: frotterend
Past participle - Verleden deelwoord: gefrotteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrotteer
jijfrotteert
hijfrotteert
wijfrotteren
julliefrotteren
zijfrotteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefrotteerd
jijhebt gefrotteerd
hijheeft gefrotteerd
wijhebben gefrotteerd
julliehebben gefrotteerd
zijhebben gefrotteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfrotteerde
jijfrotteerde
hijfrotteerde
wijfrotteerden
julliefrotteerden
zijfrotteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefrotteerd
jijhad gefrotteerd
hijhad gefrotteerd
wijhadden gefrotteerd
julliehadden gefrotteerd
zijhadden gefrotteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal frotteren
jijzult frotteren
hijzal frotteren
wijzullen frotteren
julliezullen frotteren
zijzullen frotteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefrotteerd hebben
jijzult gefrotteerd hebben
hijzal gefrotteerd hebben
wijzullen gefrotteerd hebben
julliezullen gefrotteerd hebben
zijzullen gefrotteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou frotteren
jijzou frotteren
hijzou frotteren
wijzouden frotteren
julliezouden frotteren
zijzouden frotteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefrotteerd hebben
jijzou gefrotteerd hebben
hijzou gefrotteerd hebben
wijzouden gefrotteerd hebben
julliezouden gefrotteerd hebben
zijzouden gefrotteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrotteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information