freewheelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of freewheelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: freewheelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: freewheelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefreewheeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfreewheel
jijfreewheelt
hijfreewheelt
wijfreewheelen
julliefreewheelen
zijfreewheelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefreewheeld
jijhebt gefreewheeld
hijheeft gefreewheeld
wijhebben gefreewheeld
julliehebben gefreewheeld
zijhebben gefreewheeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfreewheelde
jijfreewheelde
hijfreewheelde
wijfreewheelden
julliefreewheelden
zijfreewheelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefreewheeld
jijhad gefreewheeld
hijhad gefreewheeld
wijhadden gefreewheeld
julliehadden gefreewheeld
zijhadden gefreewheeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal freewheelen
jijzult freewheelen
hijzal freewheelen
wijzullen freewheelen
julliezullen freewheelen
zijzullen freewheelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefreewheeld hebben
jijzult gefreewheeld hebben
hijzal gefreewheeld hebben
wijzullen gefreewheeld hebben
julliezullen gefreewheeld hebben
zijzullen gefreewheeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou freewheelen
jijzou freewheelen
hijzou freewheelen
wijzouden freewheelen
julliezouden freewheelen
zijzouden freewheelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefreewheeld hebben
jijzou gefreewheeld hebben
hijzou gefreewheeld hebben
wijzouden gefreewheeld hebben
julliezouden gefreewheeld hebben
zijzouden gefreewheeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfreewheel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English freewheel. See: English 'freewheel'.

Additional Information