apaiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of apaiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: apaiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: apaiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geapaiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikapaiseer
jijapaiseert
hijapaiseert
wijapaiseren
jullieapaiseren
zijapaiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geapaiseerd
jijhebt geapaiseerd
hijheeft geapaiseerd
wijhebben geapaiseerd
julliehebben geapaiseerd
zijhebben geapaiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikapaiseerde
jijapaiseerde
hijapaiseerde
wijapaiseerden
jullieapaiseerden
zijapaiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geapaiseerd
jijhad geapaiseerd
hijhad geapaiseerd
wijhadden geapaiseerd
julliehadden geapaiseerd
zijhadden geapaiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal apaiseren
jijzult apaiseren
hijzal apaiseren
wijzullen apaiseren
julliezullen apaiseren
zijzullen apaiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geapaiseerd hebben
jijzult geapaiseerd hebben
hijzal geapaiseerd hebben
wijzullen geapaiseerd hebben
julliezullen geapaiseerd hebben
zijzullen geapaiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou apaiseren
jijzou apaiseren
hijzou apaiseren
wijzouden apaiseren
julliezouden apaiseren
zijzouden apaiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geapaiseerd hebben
jijzou geapaiseerd hebben
hijzou geapaiseerd hebben
wijzouden geapaiseerd hebben
julliezouden geapaiseerd hebben
zijzouden geapaiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijapaiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information