doorsukkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doorsukkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doorsukkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doorsukkelend
Past participle - Verleden deelwoord: doorgesukkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksukkel door
jijsukkelt door
hijsukkelt door
wijsukkelen door
julliesukkelen door
zijsukkelen door

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb doorgesukkeld
jijhebt doorgesukkeld
hijheeft doorgesukkeld
wijhebben doorgesukkeld
julliehebben doorgesukkeld
zijhebben doorgesukkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksukkelde door
jijsukkelde door
hijsukkelde door
wijsukkelden door
julliesukkelden door
zijsukkelden door

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad doorgesukkeld
jijhad doorgesukkeld
hijhad doorgesukkeld
wijhadden doorgesukkeld
julliehadden doorgesukkeld
zijhadden doorgesukkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doorsukkelen
jijzult doorsukkelen
hijzal doorsukkelen
wijzullen doorsukkelen
julliezullen doorsukkelen
zijzullen doorsukkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal doorgesukkeld hebben
jijzult doorgesukkeld hebben
hijzal doorgesukkeld hebben
wijzullen doorgesukkeld hebben
julliezullen doorgesukkeld hebben
zijzullen doorgesukkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doorsukkelen
jijzou doorsukkelen
hijzou doorsukkelen
wijzouden doorsukkelen
julliezouden doorsukkelen
zijzouden doorsukkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou doorgesukkeld hebben
jijzou doorgesukkeld hebben
hijzou doorgesukkeld hebben
wijzouden doorgesukkeld hebben
julliezouden doorgesukkeld hebben
zijzouden doorgesukkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsukkel door

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information