dispergeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dispergeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dispergeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dispergerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedispergeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdispergeer
jijdispergeert
hijdispergeert
wijdispergeren
julliedispergeren
zijdispergeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedispergeerd
jijhebt gedispergeerd
hijheeft gedispergeerd
wijhebben gedispergeerd
julliehebben gedispergeerd
zijhebben gedispergeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdispergeerde
jijdispergeerde
hijdispergeerde
wijdispergeerden
julliedispergeerden
zijdispergeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedispergeerd
jijhad gedispergeerd
hijhad gedispergeerd
wijhadden gedispergeerd
julliehadden gedispergeerd
zijhadden gedispergeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dispergeren
jijzult dispergeren
hijzal dispergeren
wijzullen dispergeren
julliezullen dispergeren
zijzullen dispergeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedispergeerd hebben
jijzult gedispergeerd hebben
hijzal gedispergeerd hebben
wijzullen gedispergeerd hebben
julliezullen gedispergeerd hebben
zijzullen gedispergeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dispergeren
jijzou dispergeren
hijzou dispergeren
wijzouden dispergeren
julliezouden dispergeren
zijzouden dispergeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedispergeerd hebben
jijzou gedispergeerd hebben
hijzou gedispergeerd hebben
wijzouden gedispergeerd hebben
julliezouden gedispergeerd hebben
zijzouden gedispergeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdispergeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information