deglaceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deglaceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deglaceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deglacerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeglaceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeglaceer
jijdeglaceert
hijdeglaceert
wijdeglaceren
julliedeglaceren
zijdeglaceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeglaceerd
jijhebt gedeglaceerd
hijheeft gedeglaceerd
wijhebben gedeglaceerd
julliehebben gedeglaceerd
zijhebben gedeglaceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeglaceerde
jijdeglaceerde
hijdeglaceerde
wijdeglaceerden
julliedeglaceerden
zijdeglaceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeglaceerd
jijhad gedeglaceerd
hijhad gedeglaceerd
wijhadden gedeglaceerd
julliehadden gedeglaceerd
zijhadden gedeglaceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deglaceren
jijzult deglaceren
hijzal deglaceren
wijzullen deglaceren
julliezullen deglaceren
zijzullen deglaceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeglaceerd hebben
jijzult gedeglaceerd hebben
hijzal gedeglaceerd hebben
wijzullen gedeglaceerd hebben
julliezullen gedeglaceerd hebben
zijzullen gedeglaceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deglaceren
jijzou deglaceren
hijzou deglaceren
wijzouden deglaceren
julliezouden deglaceren
zijzouden deglaceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeglaceerd hebben
jijzou gedeglaceerd hebben
hijzou gedeglaceerd hebben
wijzouden gedeglaceerd hebben
julliezouden gedeglaceerd hebben
zijzouden gedeglaceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeglaceer

Translations

  • deglaze, (transitive) to detach small pieces of cooked food from a pan
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information