couvreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of couvreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: couvreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: couvrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecouvreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcouvreer
jijcouvreert
hijcouvreert
wijcouvreren
julliecouvreren
zijcouvreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecouvreerd
jijhebt gecouvreerd
hijheeft gecouvreerd
wijhebben gecouvreerd
julliehebben gecouvreerd
zijhebben gecouvreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcouvreerde
jijcouvreerde
hijcouvreerde
wijcouvreerden
julliecouvreerden
zijcouvreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecouvreerd
jijhad gecouvreerd
hijhad gecouvreerd
wijhadden gecouvreerd
julliehadden gecouvreerd
zijhadden gecouvreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal couvreren
jijzult couvreren
hijzal couvreren
wijzullen couvreren
julliezullen couvreren
zijzullen couvreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecouvreerd hebben
jijzult gecouvreerd hebben
hijzal gecouvreerd hebben
wijzullen gecouvreerd hebben
julliezullen gecouvreerd hebben
zijzullen gecouvreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou couvreren
jijzou couvreren
hijzou couvreren
wijzouden couvreren
julliezouden couvreren
zijzouden couvreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecouvreerd hebben
jijzou gecouvreerd hebben
hijzou gecouvreerd hebben
wijzouden gecouvreerd hebben
julliezouden gecouvreerd hebben
zijzouden gecouvreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcouvreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information