contraheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of contraheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: contraheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: contraherend
Past participle - Verleden deelwoord: gecontraheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcontraheer
jijcontraheert
hijcontraheert
wijcontraheren
julliecontraheren
zijcontraheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecontraheerd
jijhebt gecontraheerd
hijheeft gecontraheerd
wijhebben gecontraheerd
julliehebben gecontraheerd
zijhebben gecontraheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcontraheerde
jijcontraheerde
hijcontraheerde
wijcontraheerden
julliecontraheerden
zijcontraheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecontraheerd
jijhad gecontraheerd
hijhad gecontraheerd
wijhadden gecontraheerd
julliehadden gecontraheerd
zijhadden gecontraheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal contraheren
jijzult contraheren
hijzal contraheren
wijzullen contraheren
julliezullen contraheren
zijzullen contraheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecontraheerd hebben
jijzult gecontraheerd hebben
hijzal gecontraheerd hebben
wijzullen gecontraheerd hebben
julliezullen gecontraheerd hebben
zijzullen gecontraheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou contraheren
jijzou contraheren
hijzou contraheren
wijzouden contraheren
julliezouden contraheren
zijzouden contraheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecontraheerd hebben
jijzou gecontraheerd hebben
hijzou gecontraheerd hebben
wijzouden gecontraheerd hebben
julliezouden gecontraheerd hebben
zijzouden gecontraheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcontraheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin contrahō. See: Latin 'contrahō'.

Additional Information