cohabiteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cohabiteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cohabiteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cohabiterend
Past participle - Verleden deelwoord: gecohabiteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcohabiteer
jijcohabiteert
hijcohabiteert
wijcohabiteren
julliecohabiteren
zijcohabiteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecohabiteerd
jijhebt gecohabiteerd
hijheeft gecohabiteerd
wijhebben gecohabiteerd
julliehebben gecohabiteerd
zijhebben gecohabiteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcohabiteerde
jijcohabiteerde
hijcohabiteerde
wijcohabiteerden
julliecohabiteerden
zijcohabiteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecohabiteerd
jijhad gecohabiteerd
hijhad gecohabiteerd
wijhadden gecohabiteerd
julliehadden gecohabiteerd
zijhadden gecohabiteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cohabiteren
jijzult cohabiteren
hijzal cohabiteren
wijzullen cohabiteren
julliezullen cohabiteren
zijzullen cohabiteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecohabiteerd hebben
jijzult gecohabiteerd hebben
hijzal gecohabiteerd hebben
wijzullen gecohabiteerd hebben
julliezullen gecohabiteerd hebben
zijzullen gecohabiteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cohabiteren
jijzou cohabiteren
hijzou cohabiteren
wijzouden cohabiteren
julliezouden cohabiteren
zijzouden cohabiteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecohabiteerd hebben
jijzou gecohabiteerd hebben
hijzou gecohabiteerd hebben
wijzouden gecohabiteerd hebben
julliezouden gecohabiteerd hebben
zijzouden gecohabiteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcohabiteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

paren
copuleren

Sample Sentences

Etymology

Additional Information