coïteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of coïteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: coïteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: coïterend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoïteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoïteer
jijcoïteert
hijcoïteert
wijcoïteren
julliecoïteren
zijcoïteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoïteerd
jijhebt gecoïteerd
hijheeft gecoïteerd
wijhebben gecoïteerd
julliehebben gecoïteerd
zijhebben gecoïteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoïteerde
jijcoïteerde
hijcoïteerde
wijcoïteerden
julliecoïteerden
zijcoïteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoïteerd
jijhad gecoïteerd
hijhad gecoïteerd
wijhadden gecoïteerd
julliehadden gecoïteerd
zijhadden gecoïteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal coïteren
jijzult coïteren
hijzal coïteren
wijzullen coïteren
julliezullen coïteren
zijzullen coïteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoïteerd hebben
jijzult gecoïteerd hebben
hijzal gecoïteerd hebben
wijzullen gecoïteerd hebben
julliezullen gecoïteerd hebben
zijzullen gecoïteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou coïteren
jijzou coïteren
hijzou coïteren
wijzouden coïteren
julliezouden coïteren
zijzouden coïteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoïteerd hebben
jijzou gecoïteerd hebben
hijzou gecoïteerd hebben
wijzouden gecoïteerd hebben
julliezouden gecoïteerd hebben
zijzouden gecoïteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoïteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information