bespikkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespikkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespikkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespikkelend
Past participle - Verleden deelwoord: bespikkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespikkel
jijbespikkelt
hijbespikkelt
wijbespikkelen
julliebespikkelen
zijbespikkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespikkeld
jijhebt bespikkeld
hijheeft bespikkeld
wijhebben bespikkeld
julliehebben bespikkeld
zijhebben bespikkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespikkelde
jijbespikkelde
hijbespikkelde
wijbespikkelden
julliebespikkelden
zijbespikkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespikkeld
jijhad bespikkeld
hijhad bespikkeld
wijhadden bespikkeld
julliehadden bespikkeld
zijhadden bespikkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespikkelen
jijzult bespikkelen
hijzal bespikkelen
wijzullen bespikkelen
julliezullen bespikkelen
zijzullen bespikkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespikkeld hebben
jijzult bespikkeld hebben
hijzal bespikkeld hebben
wijzullen bespikkeld hebben
julliezullen bespikkeld hebben
zijzullen bespikkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespikkelen
jijzou bespikkelen
hijzou bespikkelen
wijzouden bespikkelen
julliezouden bespikkelen
zijzouden bespikkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespikkeld hebben
jijzou bespikkeld hebben
hijzou bespikkeld hebben
wijzouden bespikkeld hebben
julliezouden bespikkeld hebben
zijzouden bespikkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespikkel

Translations

  • fleck, to mark with small spots
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information