Infinitive - Onbepaalde wijs: bespijkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespijkerend
Past participle - Verleden deelwoord: bespijkerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bespijker |
| jij | bespijkert |
| hij | bespijkert |
| wij | bespijkeren |
| jullie | bespijkeren |
| zij | bespijkeren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bespijkerd |
| jij | hebt bespijkerd |
| hij | heeft bespijkerd |
| wij | hebben bespijkerd |
| jullie | hebben bespijkerd |
| zij | hebben bespijkerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bespijkerde |
| jij | bespijkerde |
| hij | bespijkerde |
| wij | bespijkerden |
| jullie | bespijkerden |
| zij | bespijkerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bespijkerd |
| jij | had bespijkerd |
| hij | had bespijkerd |
| wij | hadden bespijkerd |
| jullie | hadden bespijkerd |
| zij | hadden bespijkerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bespijkeren |
| jij | zult bespijkeren |
| hij | zal bespijkeren |
| wij | zullen bespijkeren |
| jullie | zullen bespijkeren |
| zij | zullen bespijkeren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bespijkerd hebben |
| jij | zult bespijkerd hebben |
| hij | zal bespijkerd hebben |
| wij | zullen bespijkerd hebben |
| jullie | zullen bespijkerd hebben |
| zij | zullen bespijkerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bespijkeren |
| jij | zou bespijkeren |
| hij | zou bespijkeren |
| wij | zouden bespijkeren |
| jullie | zouden bespijkeren |
| zij | zouden bespijkeren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bespijkerd hebben |
| jij | zou bespijkerd hebben |
| hij | zou bespijkerd hebben |
| wij | zouden bespijkerd hebben |
| jullie | zouden bespijkerd hebben |
| zij | zouden bespijkerd hebben |
| jij | bespijker |