belakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belakken

The word "belakken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belakkend
Past participle - Verleden deelwoord: belakt

Cognates

See the 2 cognates of belakken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelak
jijbelakt
hijbelakt
wijbelakken
julliebelakken
zijbelakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb belakt
jijhebt belakt
hijheeft belakt
wijhebben belakt
julliehebben belakt
zijhebben belakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelakte
jijbelakte
hijbelakte
wijbelakten
julliebelakten
zijbelakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad belakt
jijhad belakt
hijhad belakt
wijhadden belakt
julliehadden belakt
zijhadden belakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belakken
jijzult belakken
hijzal belakken
wijzullen belakken
julliezullen belakken
zijzullen belakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal belakt hebben
jijzult belakt hebben
hijzal belakt hebben
wijzullen belakt hebben
julliezullen belakt hebben
zijzullen belakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belakken
jijzou belakken
hijzou belakken
wijzouden belakken
julliezouden belakken
zijzouden belakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou belakt hebben
jijzou belakt hebben
hijzou belakt hebben
wijzouden belakt hebben
julliezouden belakt hebben
zijzouden belakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelak

Verbs similar to 'belakken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From lak + be- -en.

Verbs referencing "belakken"

Swedish belacka.

Additional Information