beklemmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beklemmen

The word "beklemmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beklemmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beklemmend
Past participle - Verleden deelwoord: beklemd

Cognates

See the 2 cognates of beklemmen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeklem
jijbeklemt
hijbeklemt
wijbeklemmen
julliebeklemmen
zijbeklemmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beklemd
jijhebt beklemd
hijheeft beklemd
wijhebben beklemd
julliehebben beklemd
zijhebben beklemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeklemde
jijbeklemde
hijbeklemde
wijbeklemden
julliebeklemden
zijbeklemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beklemd
jijhad beklemd
hijhad beklemd
wijhadden beklemd
julliehadden beklemd
zijhadden beklemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beklemmen
jijzult beklemmen
hijzal beklemmen
wijzullen beklemmen
julliezullen beklemmen
zijzullen beklemmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beklemd hebben
jijzult beklemd hebben
hijzal beklemd hebben
wijzullen beklemd hebben
julliezullen beklemd hebben
zijzullen beklemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beklemmen
jijzou beklemmen
hijzou beklemmen
wijzouden beklemmen
julliezouden beklemmen
zijzouden beklemmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beklemd hebben
jijzou beklemd hebben
hijzou beklemd hebben
wijzouden beklemd hebben
julliezouden beklemd hebben
zijzouden beklemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeklem

Verbs similar to 'beklemmen'

Translations

  • haunt, to make uneasy
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + klemmen.

    Verbs referencing "beklemmen"

    German, old spelling beklemmen, English beclam.

    Additional Information