bannen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bannen

The word "bannen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bannen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bannend
Past participle - Verleden deelwoord: geband

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikban
jijbant
hijbant
wijbannen
julliebannen
zijbannen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geband
jijhebt geband
hijheeft geband
wijhebben geband
julliehebben geband
zijhebben geband

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbande
jijbande
hijbande
wijbanden
julliebanden
zijbanden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geband
jijhad geband
hijhad geband
wijhadden geband
julliehadden geband
zijhadden geband

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bannen
jijzult bannen
hijzal bannen
wijzullen bannen
julliezullen bannen
zijzullen bannen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geband hebben
jijzult geband hebben
hijzal geband hebben
wijzullen geband hebben
julliezullen geband hebben
zijzullen geband hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bannen
jijzou bannen
hijzou bannen
wijzouden bannen
julliezouden bannen
zijzouden bannen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geband hebben
jijzou geband hebben
hijzou geband hebben
wijzouden geband hebben
julliezouden geband hebben
zijzouden geband hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijban

Verbs similar to 'bannen'

Translations

  • relegate, to exile
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bannen, from Old Dutch *bannan, from Proto-West Germanic *bannan, from Proto-Germanic *bannaną. See: Proto-Germanic '*bannaną'.

    Verbs referencing "bannen"

    English ban.

    Additional Information