alkyleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of alkyleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: alkyleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: alkylerend
Past participle - Verleden deelwoord: gealkyleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikalkyleer
jijalkyleert
hijalkyleert
wijalkyleren
julliealkyleren
zijalkyleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gealkyleerd
jijhebt gealkyleerd
hijheeft gealkyleerd
wijhebben gealkyleerd
julliehebben gealkyleerd
zijhebben gealkyleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikalkyleerde
jijalkyleerde
hijalkyleerde
wijalkyleerden
julliealkyleerden
zijalkyleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gealkyleerd
jijhad gealkyleerd
hijhad gealkyleerd
wijhadden gealkyleerd
julliehadden gealkyleerd
zijhadden gealkyleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal alkyleren
jijzult alkyleren
hijzal alkyleren
wijzullen alkyleren
julliezullen alkyleren
zijzullen alkyleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gealkyleerd hebben
jijzult gealkyleerd hebben
hijzal gealkyleerd hebben
wijzullen gealkyleerd hebben
julliezullen gealkyleerd hebben
zijzullen gealkyleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou alkyleren
jijzou alkyleren
hijzou alkyleren
wijzouden alkyleren
julliezouden alkyleren
zijzouden alkyleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gealkyleerd hebben
jijzou gealkyleerd hebben
hijzou gealkyleerd hebben
wijzouden gealkyleerd hebben
julliezouden gealkyleerd hebben
zijzouden gealkyleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijalkyleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information