Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afspiegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afspiegelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgespiegeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | spiegel af |
| jij | spiegelt af |
| hij | spiegelt af |
| wij | spiegelen af |
| jullie | spiegelen af |
| zij | spiegelen af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgespiegeld |
| jij | hebt afgespiegeld |
| hij | heeft afgespiegeld |
| wij | hebben afgespiegeld |
| jullie | hebben afgespiegeld |
| zij | hebben afgespiegeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | spiegelde af |
| jij | spiegelde af |
| hij | spiegelde af |
| wij | spiegelden af |
| jullie | spiegelden af |
| zij | spiegelden af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgespiegeld |
| jij | had afgespiegeld |
| hij | had afgespiegeld |
| wij | hadden afgespiegeld |
| jullie | hadden afgespiegeld |
| zij | hadden afgespiegeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afspiegelen |
| jij | zult afspiegelen |
| hij | zal afspiegelen |
| wij | zullen afspiegelen |
| jullie | zullen afspiegelen |
| zij | zullen afspiegelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgespiegeld hebben |
| jij | zult afgespiegeld hebben |
| hij | zal afgespiegeld hebben |
| wij | zullen afgespiegeld hebben |
| jullie | zullen afgespiegeld hebben |
| zij | zullen afgespiegeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afspiegelen |
| jij | zou afspiegelen |
| hij | zou afspiegelen |
| wij | zouden afspiegelen |
| jullie | zouden afspiegelen |
| zij | zouden afspiegelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgespiegeld hebben |
| jij | zou afgespiegeld hebben |
| hij | zou afgespiegeld hebben |
| wij | zouden afgespiegeld hebben |
| jullie | zouden afgespiegeld hebben |
| zij | zouden afgespiegeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afspiegelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afspiegelen'
afpingelen,
afpriegelen,
bespiegelen,
spiegelen,
afprevelen,
afslingeren,
afspelen,
afspieden,
afspioneren,
afspoelen,
Translations
Sample Sentences
-
Er zijn zeker drie faktoren die in zijn voordeel werken, hetgeen zich reeds afspiegelde in een recent opinieonderzoek waarbij hij als de nog steeds verreweg populairste staatsman uit de bus kwam. (There are at least three factors that work in his favour, which was already reflected in a recent opinion survey in which he still emerged as the most popular statesman, by far.) [1988, Frans van Hasselt, “Grieken verwachten een politieke comeback van Karamanlis”, in NRC Handelsblad:]
-
Hurstons boeken werden door de blanken uit haar tijd met veel enthousiasme ontvangen. De zwarte tijdgenoten daarentegen wisten zich met haar werk niet zo goed raad. Men verweet haar vooral dat ze de zwarte gemeenschap afspiegelde als een bron van vermaak voor de blanken. (Hurston's books were received with great enthusiasm by the whites of her time. Black contemporaries, on the other hand, did not quite know what to do with her work. She was especially accused of portraying the black community as a source of entertainment for whites.) [1989, Ries Agterberg, “Postume erkenning voor vergeten zwarte schrijfster”, in De waarheid, Ingevuld karakter:]
Etymology
From af + spiegelen.
Additional Information