accompagneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accompagneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accompagneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accompagnerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccompagneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccompagneer
jijaccompagneert
hijaccompagneert
wijaccompagneren
jullieaccompagneren
zijaccompagneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccompagneerd
jijhebt geaccompagneerd
hijheeft geaccompagneerd
wijhebben geaccompagneerd
julliehebben geaccompagneerd
zijhebben geaccompagneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccompagneerde
jijaccompagneerde
hijaccompagneerde
wijaccompagneerden
jullieaccompagneerden
zijaccompagneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccompagneerd
jijhad geaccompagneerd
hijhad geaccompagneerd
wijhadden geaccompagneerd
julliehadden geaccompagneerd
zijhadden geaccompagneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accompagneren
jijzult accompagneren
hijzal accompagneren
wijzullen accompagneren
julliezullen accompagneren
zijzullen accompagneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccompagneerd hebben
jijzult geaccompagneerd hebben
hijzal geaccompagneerd hebben
wijzullen geaccompagneerd hebben
julliezullen geaccompagneerd hebben
zijzullen geaccompagneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accompagneren
jijzou accompagneren
hijzou accompagneren
wijzouden accompagneren
julliezouden accompagneren
zijzouden accompagneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccompagneerd hebben
jijzou geaccompagneerd hebben
hijzou geaccompagneerd hebben
wijzouden geaccompagneerd hebben
julliezouden geaccompagneerd hebben
zijzouden geaccompagneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccompagneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information